02 January 2010

Jaarwisseling '09-'10

Op nu.nl las ik dat minister Guusje ter Horst het geen rustige jaarwisselingen vond en dat ze celstraf of hoge boetes voor relschoppers wil. Er waren 2420 incidenten, door intensiever toezicht iets minder dan vorig jaar.Celstraffen en boetes van 10.000 euro zouden moeten afschrikken. Ik vraag me af of groepen jongeren, die stijf staan van drank en drugs, de hele tijd denken: laat ik me een beetje inhouden.Dat ze elkaar dan voorzichtig aanstoten en fluisteren: “Doe het wat rustiger aan, man. Ik heb nog niet genoeg gespaard en als je zit te brommen is het uit met uitgaan.” Ik vond overigens dat Aboutaleb er die nacht best trots en tevreden uitzag.

Wij vinden waarschijnlijk dat het vroeger veel gemoedelijker was, maar ik ben eens gaan kijken of relschoppers - en de onrust die ze stoken - misschien van alle tijden zijn.

Min of meer toevallig kwamen de Vikingen in m’n hoofd op en ik denk niet dat de oudejaarsnachten in de 9e en 10e eeuw lekker rustig waren.

Ik heb wat research gedaan (Wiki) omdat ik wilde weten wat die Vikingen allemaal kort en klein hebben geslagen. In ’t kort zit het ongeveer zo: het werd een beetje druk in het hoge noorden en de mannen met baarden bouwden snelle boten. De expansiedrift - lees ik - voerden hen naar het oosten, het westen en het zuiden. Je zou het ook welwillend een soort van emigreren kunnen noemen, hun land was vol en in het noorden is het koud en donker in december. Maar goed, ze gingen plunderend en veroverend naar Engeland, Vlaanderen, Nederland en Frankrijk. In Frankrijk werd de koning er helemaal gek van en gaf hen nederzettingen in het westen. Daar gingen ze wonen en het Noormannengebied heet nu Normandië. Ze hadden hun tenten nog niet opgezet en hadden Engeland al bezet. Ik denk eigenlijk dat ze de taken hadden verdeeld. Een paar mannen moesten het kamp netjes inrichten en de rest ging op oorlogspad. Knoet de Grote veroverde zelfs de Engelse troon en regeerde daar een tijdje over het machtige Deens-Engels rijk. Natuurlijk hebben ze ook in Nederland flink huisgehouden en dan denk ik plotseling: geef mij maar oudjaar ’09-‘10 in Amsterdam, daar ben ik tenminste aan gewend.

18 November 2009

Dweilstokken en dat soort zaken


Van dweilstokken tot wonderdoekjes

Ik zou het stof onder de knie krijgen maar dat wist ik nog niet.
Mijn hele leven had ik radeloos in 't rond lopen wapperen met dingen waar ik het nut niet van inzag, of waarvan ik de functie niet begreep. Dweilstokken die alle andere dweilstokken overbodig maakten; spuitbussen tegen dít, spuitbussen tegen dàt. Alles wat ik op de televisie zag geloofde ik blindelings; wat moest ik anders. Van witte tornado tot allesreiniger met een frisse zeebries; ik wist zeker dat het nieuwste van het nieuwste me eindelijk uit de brand zou helpen.Dol werd ik ervan en totaal gestrest.
Met een rood hoofd en haar dat alle kanten op piekte, draafde ik van hot naar her.Kortom, er zat geen systeem in. Op een gegeven moment dacht ik dat een blinkend huis onbereikbaar voor me was en ging bij de pakken neerzitten.
Op een dag zei mijn kind dat ik nu maar eens op huishoudles moest: "Zo kan het niet langer," zei ze. De moeder-huishoudschool leek haar wel iets: "Je bent nooit te oud om te leren."
Het klonk dwingend.
Zover is het gelukkig niet gekomen, want ik heb een deskundige bereid gevonden die me dat thuis wilde komen leren. Uit de brand, dacht ik, want het was niet de moeder-huishoudschool, maar mijn huis waar ik de zaak op orde wilde krijgen. Zij werd mijn mental coach en ze deed me alles voor; ik moest goed opletten. Ik kreeg de opdracht lijsten te maken van schoonmaakproducten: antikalk, antivet, pro-spiegelglans. Vooral van die wonderdoekjes waar het stof vanzelf naartoe springt, raakte ik in vervoering. Als ze dan weer weg was moest ik daarmee oefenen. Een soort huiswerk. Maar ik begreep niet dat ik in een huis dat zij zo grondig schoon had gemaakt, toch weer overal tegenaan moest spuiten. Dan kwam ze weer en ging alles opnieuw aanschouwelijk maken. Ik was een oplettende leerling dus de theorie had ik snel door. Een aantal dingen nam ik inmiddels van haar over, maar ik deed niets goed genoeg. Met een vies gezicht ging zij het dan overdoen.
"Kijk daar," zei ze dan en wees naar iets wat ik niet kon zien. En ja hoor, als ik m'n leesbril opzette zag ik nog een kleine vlek, een vlok of een ragje. Mijn motivatie zakte daar enorm door. Deze huishoudles kon je bijna een studie noemen omdat ik er vijf jaar over deed. Ik beheers de stof inmiddels, zowel de theorie als het practicum.
Practicum?
Jawel, als ze me meteen verteld had dat het eigenlijk een soort scheikunde was, had ik het sneller gesnapt. Je scheidt gewoon het vet van je fornuis, je scheidt kalkaanslag van de tegels en je scheidt de bacteriën van je gootsteen. Ik leer niet makkelijk uit het hoofd, maar als ik ergens de logica van snap hoeft niemand mij meer iets uit te leggen. Een paar maanden voordat ik zestig werd vond ze me goed genoeg om het zelf te doen. Het werd in een ander opzicht ook te zwaar voor me. Mijn mental coach was namelijk wat aan de kleine kant. Bij het minste geringste moet ik haar optillen. Van het aanrecht, op de tafel en dan naar de bovenkant van de ramen. Ik moest er gewoon van naar de fysio en het middel werd erger dan de kwaal. Inmiddels ben ik zo proper geworden dat de buren zouden mogen komen kijken.
Als ik ermee bezig ben blijf ik kalm en houd mijn hoofd koel. Ik ren niet meer van de ene hoek naar de andere en doe alles in de goede volgorde. Eerst de boven-dingen, dan de zij-dingen en dan de onder-dingen. Op het laatst pas stofzuigen en dweilen, dat spreekt vanzelf.
Ik heb het stof onder de knie.

17 November 2009

Broodje ijsbeer

Of ze een briefje klaar wilden leggen met de bustijden naar Stockholm, vroegen de Amerikanen die huizen gingen ruilen met vrienden in ’t Gooi. Daar wilden ze wel eens koffiedrinken. Helemaal niet zo raar, die Amerikanen. Amsterdam - daar woon ik - ligt toch zeker in Denemarken en dan zit je al behoorlijk in de richting. Zo denk ík er over. Hoewel.., weifel.., twijfel.., de Red Light District kan natuurlijk ook aan de Red See liggen? Ligt voor de hand, maar nu maak ik het mezelf wat moeilijk.

Ik heb de wereldkaart op een oversized placemat. Daar zet ik nooit een bord op, want dan glijdt de boel van m’n schoot. Nee, dat ding staat voor de computerdraden, ook wel de spaghettiplantage genoemd. Maar daar gaat het nu niet om, ik dwaal ook altijd af. Op die kaart kan ik zien dat ik aan zee woon. Als ik een beetje opschiet, en om Engeland heen peddel, ben ik voor de lunch in Canada. Daar eten ze dungesneden ijsbeer op hun boterham. Zóóó dicht bij de Noordpool. En als ik niet zou weten dat pinguïns alleen op het zuidelijk halfrond leven, zou ik misschien een broodje pinguïn bestellen. Maar als ik daar een glaasje sake bij bestel kan niemand me uitlachen, want als ik op die placemat naar links zwem ben ik zo in Japan; over de rand heen, via de blauwe achterkant en dan weer op de voorkant klimmen. Helaas weten sommige mensen dit niet.

16 November 2009

In de prairie en niet in de Kalverstraat

Paarden horen in de prairie en als het per se moet aan een hek bij een saloon, maar niet in het centrum en al helemaal niet in de Kalversraat.

Op de Heiligeweg hoorde ik al een merkwaardig geraas dat ik niet thuis kon brengen.
Zelfs als de halve bevolking van Amsterdam in de Kalverstraat loopt is er nog niet zo'n klereherrie.
Een slap stemmetje zeurde in m'n hoofd, maar je moet niet klagen als je hier woont.
Het hoort er gewoon bij, ik rechtte mijn rug en liep in een flink tempo door.
Op de hoogte van de HEMA liep de boel vast.
Vanaf de Munt kwam compacte massa schreeuwende mensen en die wrong zich in de stroom winkelende mensen. Wij kwamen van de andere kant, van de kant van de Dam.
Drie politieagenten op enorme bruine paarden reden voor de stoet uit en de paarden gooiden nerveus de achterlijven heen en weer, maar ík stond er ook nog.
Toen ze langs me liepen drukte ik me stevig tegen een winkelruit.
Wat ik zag was een grote paardenkont, de hoeven met glimmende hoefijzers kwamen ter hoogte van m'n linkerschouder en de afstand was hooguit een halve meter.
Een halve eeuw geleden had ik van m'n ouders geleerd dat ik nooit achter een paard mocht staan, want er was een boer doodgetrapt.
Paniek.
Het duurde lang voordat al die konten voorbij waren en daarna kwam de demonstrerende meute.
Die mensen schreeuwden in alle talen en het was me duidelijk dat ze ontzettend kwaad waren.
Agressie.
Waarom, dacht ik nog, moet een demonstratie in vredesnaam door de Kalverstraat?
Het antwoord op die vraag zou ik 's avonds op de televisie zien.
Ik vluchtte de Xenos binnen en wist het daar een minuut of vijf uit te houden. Toen ik weer buiten kwam was de straat weer min of meer rustig.
Ik liep keihard naar mijn tramhalte op het Rembrandtplein en ging uitgeblust tegen een ijzeren hek van het plantsoen hangen.
Opeens zag ik een cameraploeg die van passanten wilde weten wat ze er allemaal van vonden.
Als ik cameraploegen zie, ga ik altijd naar duiven of mussen kijken en vandaag wist ik helemaal niet wat ik ergens van moest vinden. Ik wist nog niet waarvoor of waartegen er werd gedemonstreerd.
Vanuit mijn ooghoek zag ik een man uit dat ploegje naar me wijzen, terwijl hij een andere man op z'n schouder tikte. Ik zag ze beiden knikken en aanstalten maken mijn richting op te komen.
Dat kon ik er niet ook nog eens bij hebben.
Goddank kwam mijn tram en toen ik aan het eind van de middag thuiskwam, heb ik alle ramen en deuren op slot gedaan; de gordijnen dichtgetrokken; m'n vingers in m'n oren gepropt en m'n ogen dichtgeknepen.
Toen ik 's avonds eindelijk weer durfde te kijken, zag ik in een nieuwsprogramma dat er honderden woedende dierenactivisten uit de hele wereld naar Amsterdam waren gekomen. Ze gingen naar Maison de Bonneterie, want daar wordt nog bont verkocht.
Ik ben best bereid zelf een brandende lucifer in de Bonneterie te gooien, maar al die mensen die hier niet wonen hadden netjes thuis moeten blijven.

11 November 2009

-HOE ECHT IS DE WERKELIJKHEID?-


Werkelijkheid, gemanipuleerde werkelijkheid en beeldwerkelijkheid
Hierin ga ik via de werkelijkheid van de rode kikkers naar de werkelijkheid van oorlogsverslaggeving. Ik ben eerst naar de Hortus Botanicus gegaan om de kikkers te zoeken die ik ooit eens in de tropische plantenkas had zien springen.
In het stroompje tussen de keien zie je er twee.
Voor de kijker is dit beeldwerkelijkheid, ze staan immers op je beeldscherm.
Maar voor mij was het stroompje met de keien de fysieke werkelijkheid.

In het kader van "hoe echt is de werkelijkheid?" zal ik eerlijk moeten zijn, om in elk geval zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te komen.
Het stroompje is in die kas in de Hortus. Tot zover is het de werkelijkheid. Maar na een uurtje zoeken zag ik nog geen enkele kikker en het was welletjes geweest, vond ik.
Ik ben naar de Hortus-winkel gegaan en kocht twee plastic kikkertjes en zette die op de keien.
Nu is die foto dus niet alleen beeldwerkelijkheid, maar ook nog gemanipuleerde werkelijkheid.

Van die kikkers maak ik een sprong naar werkelijkheid van (buitenland)correspondenten, die voor ons de werkelijkheid in woord en beeld verslaan.
Hoe springen zij met de werkelijkheid om?
Als zij de werkelijkheid manipuleren -net als ik met die foto deed- doen zij die geweld aan.
En daar komen wereldwijd kamervragen van, zoals wij allemaal weten.
Het hoeft niet persé altijd zo te zijn dat zij dit expres doen.
Naast hun beroepsmatige journalistieke aanpak en hun integriteit, gaat er iets in hun privé-hoofd om, zodat de werkelijkheid voor ons in een ander licht kan komen te staan. Anders dan wanneer we er zelf bij zouden zijn geweest, maar dan zouden wij weer constant rond de wereld moeten vliegen om hen te controleren.

Bij de beeldwerkelijkheid die, door de televisie of andere media bij ons binnenkomt, zullen we dus ons best moeten doen om naar de naakte feiten te zoeken.
Wij moeten daarom steeds zelf opnieuw nadenken.

De Golfoorlog was de eerste echte televisieoorlog.
Je kreeg haast de indruk dat de oorlog plaatsvond op het moment dat het programma erover startte.
Destijds was ik daar enorm door in verwarring.
Zouden de opperbevelhebbers/generaals inderdaad hun acties zó organiseren, dat ze het primetime-journaal (Amerikaanse tijd bv.) zouden halen? Of juist niet?

Ik besefte toen al dat de televisie in het vervolg een rol zou spelen in oorlogen. Ik besefte ook dat dit zowel de goede als de verkeerde kant op kon gaan.
En nu vraag ik me af: hoe kunnen de media de werkelijkheid beïnvloeden?
De invoed op oorlogen is maar een voorbeeld.
Wat zou de positieve kant ervan kunnen zijn?
En wat zou de negatieve kant ervan kunnen zijn?
En welke rol speelt internet er nu al in?
Terug naar: Karima beschouwt nader (home)
Karima Lugt

09 November 2009

-MANISCH DEPRESSIEF: STEPHEN FRY, ROBBIE WILLIAMS, RICHARD DREYFUSS EN IK...-

Stephen Fry
Stephen Fry, Richard Dreyfuss, Robbie Williams en ik zijn manisch depressief.
Wat doen we er mee en willen we er af? In de eerste instantie zou ik zeggen: ik zou wel gek zijn als ik er niet van af zou willen, maar...
Auteur, komiek en presentator Stephen Fry maakte de documentaire “The secret Life of the Manic Depressive”
Hij interviewde bekende mensen die aan die ziekte lijden, waaronder Robbie Williams en Richard Dreyfuss.

Wat is een manische depressie?
Doe je ogen dicht en stel je voor: je speelt de hoofdrol in een zwart/wit film, zonder geluid. Het breekbare celluloid is aan elkaar gemonteerd met ondoorzichtig plakband. Het treurspel speelt zich af in een soort eeuwig zingende bossen b.v. in Zweden. Die film zit in een filmblik in een archief, want niemand wil die film zien.
En dan, zonder dat je er iets voor hoeft te doen, zit je opeens fluitend en lachend, met een roze suikerspin, in een reuzenrad op een kleurige en lawaaierige kermis en je weet maar niet van ophouden. Je zou de man die bij de achtbaan op de knoppen drukt wel willen dwingen dat ding 24 uur in beweging te houden. De enige wolk aan de lucht is: je weet dat je t.z.t. terug gaat in dat filmblik. Verder gaat het geweldig met je, tenminste dat denk je.
Moet je je hierbij neerleggen?

De depressieve periodes kunnen maanden, soms jaren duren. De manische periodes duren meestal korter en voelen in het begin prettig aan. Later niet meer omdat je merkt dat je de regie niet in handen hebt. Je omgeving zal merken dat het slecht met je gaat. In het beste geval vragen vrienden wat er met je aan de hand is. En omdat iedereen wel eens apathisch rondlummelt en een dag zonder gouden randje heeft, zal de reactie zijn: dat hebben we allemaal wel eens. En morgen is er weer een dag, misschien schijnt de zon. Kop op.
In een manische periode, zou je dan kunnen zeggen: rotop! Als iedereen dit zou hebben zou er geen post door de brievenbus vallen; landen zouden niet geregeerd worden en vakken worden niet gevuld.
Ben je in een depressieve periode, word je nog machtelozer dan je al was. Je geeft jezelf al de hele dag adviezen en bent boos omdat het je niet lukt de boel een beetje aangenamer te maken. Gevolg van die goede raad; een nog groter zelfverwijt. Kortom je bent in oorlog met jezelf en je bent je eigen tegenstander. Je staat dus alleen en hebt de neiging je terug te trekken.
Ik praat er zelden meer over want de omgeving zou je als slachtoffer kunnen uitrangeren en dat is het laatste wat je moet willen.
Er zijn wel pilletjes tegen, maar die hebben bijverschijnselen. Ze doden al je gevoel en creativiteit. Robotgedrag.
Een echte zonzij is er niet, maar er zijn mensen zoals schrijvers, schilders, acteurs, cabaretiers, die juist niet voor pilletjes kiezen en van de nood een deugd maken.
Zie hiervoor de documentaire van Stephen Fry. (link onderaan)
Hij vraagt aan de Amerikaanse acteur Richard Dreyfuss: "Als je een knop of pil zou hebben om er af te komen, zou je die dan gebruiken?" Het gezicht van Dreyfuss staat even op: dat zou lekker zijn. Daarna zegt hij overwogen en vol overtuiging: "Nee!" Geen vlak leven, bedoelde hij en wel pieken en dalen.
Kunstenaars kunnen deze aandoening gebruiken om doorleefd werk te maken.
Wat dacht je van al die dichters, die schrijven over hun onbereikbare liefde; hun muze. Dit lijkt theatraal, romantisch soms, maar...
En denk ook maar niet dat alle schilders, met een besmeurde schorten, flamboyante baretten en paletten met vrolijke kleuren, staan te dansen voor hun ezels.
Waarom doorbreken zij deze mythe dan niet? Dat is omdat ze deze mythe niet zelf bedenken, dat doen anderen.
Iedereen kan namelijk een beetje tekenen en de kunstenaar mag dat de hele dag doen, denken veel mensen.
Overigens bestaat er geen grotere piek dan het maken van een schilderij dat op het punt staat te lukken.
Een manische depressie is wel een handicap, maar er is ook korfbal voor mensen zonder benen en die zitten ook niet de hele dag te snikken.
Ik ook niet. Op een bepaald moment weet je gewoon wat je wel en niet voor elkaar kunt boksen. And that's it.
Op een somber moment denk ik wel eens dat een zichtbare handicap handiger zou zijn, want er is geen hond die tegen een verlamde zegt: "Hé man, stel je niet zo aan en schiet eens een beetje op." Maar dat is dan ook het enige; ieder het zijne.

Bekijk ook: "The Sectret Life of the Manic Depressive" van Stephen Fry.


Karima

05 November 2009

-DE ACHTERKANT VAN DE VAKANTIEKIEK-

Een driezits-, noemde de verkoper mijn bank, maar ik vind het onaangenaam als twee mensen me vragen een eindje op te schuiven, omdat ze van plan zijn hun vakantiefoto's te laten zien.

Voortvarend wrongen ze zich tussen mij en de kussens op de armleggers -mijn twee vriendinnen- ze hadden elk een paar fotoalbums onder hun arm.
Flikker op, had ik kunnen zeggen, want zulke boeken zijn dik, poepbruin en een soort blauw waarvan je in de eerste instantie denkt dat het zwart is.
"Kijk, daar liepen we," zei mijn linkervriendin en ze tikte met d'r wijsvinger op een foto die van onder tot boven bladgroen was, "daar, tussen die bomen is een pad. Dat pad kun je niet zien, maar het is er wel."
"En als je achter de foto zou kunnen kijken," zei de rechtervriendin in haar ijver mij hun situatie duidelijk te maken, "zou je ons hotel kunnen zien."
Ter illustratie draaide ze de foto om. Daar kon ik in mistige letters lezen dat ze waren afgedrukt op Kodak-fotopapier. "We waren verdwaald," ging deze vriendin verder,"er zaten ook nog twee houtduiven in de verte, maar die vlogen net weg toen ik op de knop drukte. Jammer was dat."
"Ja," nam de ander het gesprek over, "en toen we eindelijk het hotel hadden terugevonden, waren we bekaf en moesten we elkaars blaren doorprikken. Het eten was er redelijk, maar ze speelden hoempapamuziek en de kamers waren gehorig. Weet je nog die ene nacht..?" vroeg ze achter mijn rug langs en ze giechelden als schoolmeiden.
Bij elke foto hoort een verhaal -weet ik- en langzaam sloeg ik alvast het half-doorzichtige schutblad om.
Op de meeste schutbladen van fotoalbums staat een reliëf met spinnenwebben.
Die schutbladen zijn er om de ene groene foto tegen de andere groene foto te beschermen, het zou zonde zijn als ze elkaar bekrasten.
"Waarom ga je de volgende keer niet mee?" vroeg mijn rechtervriendin en dat vroeg ze niet voor het eerst.
"Ja, leuk," zei de andere, "jij komt veel te weinig de deur uit. Met kerstmis gaan we weer, dan is het daar gegarandeerd wit, beloofde onze hotelier. Die man had een..."

Terwijl ik probeerde de volgende foto's besneeuwd te fantaseren, vlogen mijn gedachten ver weg.
Ik ging terug naar de reis die ik die middag in mijn tuin had gemaakt.
Zittend onder mijn vijgenboom was ik in een mangrovebos. Ik hou van de natuur en wil die ongestoord kunnen inademen.
Het was warm en er zat een blauwe papegaai op een tak. Ik kon het water ruiken en zag vissen springen.
Met m'n tenen had ik aan onderwaterwortels gevoeld, die waren zo sterk dat ik erop kon staan.
Ik had mijn kleren uitgetrokken, was in het donkere water gedoken en met een rustige schoolslag naar een drijvende boomstam gezwommen. Ik wil de natuur kunnen aanraken.
Maar ja, hoeveel ik ook van de natuur houd, in vreemde streken is de natuur onvoorspelbaar
Die boomstam had z'n bek open kunnen sperren en daarin zou ik grote krokodillentanden hebben kunnen zien.

Ik joeg een vlieg van m'n been en zag vlinders om de rijpe vijgen fladderden.
Er zijn allerlei gevaren, dacht ik en nam een slok thee, gevaren waartegen je je kunt laten inenten, maar tegen scherpe tanden heb je dat niet. Ik aaide de kat van de buurman die me kopjes gaf.
En ach, dacht ik ook nog, dat mangrovebos en die rivier zijn niet van mij; die zijn van de wilde dieren. Zij mogen er zwemmen, drinken en achter elkaar aanrennen. Daar mag de sterkste winnen: eten en gegeten worden.

"Kopje koffie?" vroeg ik aan de vriendinnen en sloeg hun eerste fotoalbum dicht; ik was nog niet eens op de helft. En ik zei ook nog: "Dit heb bij mijzelven overdacht, Verregend, op een miezerigen morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat."
Ik citeerde Jacques Bloem en dat wisten zij.
"Ik ga níet mee."
Met deze woorden kon niet gesjoemeld worden.

06 September 2009

Strijken is ook een talent

Het lijkt verdorie de Titanic wel
Ik had het tot nu toe altijd druk met andere zaken. O.a. het ontwikkelen van mijn artistieke talenten.
Tot een jaar geleden had ik niet eens een strijkijzer.
Ik heb inmiddels zo'n stoombout van Blokker, dat ding lijkt verdorie de Titanic wel, maar ik moest en zou het professioneel aanpakken.
Dat oefening kunst baart, wist ik al. Dus ben gaan oefenen en streek broeken, blouses en rokken.
Het resultaat was nog niet om over naar huis te schrijven; wat een gehannes! De kreukels leken erin geramd. De centrifuge in mijn wasmachine heeft namelijk een toerental waar de verkoper van achterover sloeg.
Afgelopen zondag kwam ik opeens op het idee, om de hele boel met kleine handjes water één voor één nat te spetteren en alles in stevig in elkaar te draaien.
Na een paar uur was dat vocht gelijkmatig over al dat katoen verdeeld.
Ik heb het toen zo schitterend gladgestreken, dat ik alles nog even in mijn tuin heb gehangen. Zogenaamd om het nog wat na te laten drogen. Uit laten rusten, heet dat op de modeacademie.
Wat ik stiekem hoopte was, dat de buren zouden zien dat ik niet alleen ezels door mijn huis hele heb staan en een computer om stukjes op te schrijven, maar ook nog een propere huisvrouw ben.
Helaas: mijn properste buren waren met vakantie.
Het enige probleem dat ik met strijken heb is dat het schuifdopje van het gat waar je het water in moet gieten, er alsmaar afvalt. Dat moet ik nog onder de knie zien te krijgen.



-Raar kind in Madurodam-

De eerste, en meteen de laatste keer dat ik in Madurodam was, zal ik een jaar of zes geweest zijn. Ik was een ernstig kind en ik snapte niet waarom de grote mensen alles zo klein hadden gebouwd.
Daar konden toch alleen maar poppen wonen, dacht ik met een frons tussen m'n wenkbrauwen. Mijn broers en zussen sprongen in 't rond van plezier.
Madurodam werd in 1952 geopend, dus toen ik daar was bestond die miniatuurstad een jaar.
Ik vroeg aan mijn ouders waarom de boel daar zo petieterig was. Het woord 'petieterig' kende ik al.
"Raar kind," zeiden zij...
Ja, ik werd door hen altijd raar kind genoemd, dat is niet zielig, daar raakt een kind aan gewend.
"Raar kind," zeiden ze dus, en ze legden me uit waarom dat allemaal nodig was.
Mijn moeder vertelde me dat er kabouters en elfjes moesten kunnen wonen en ik geloofde haar.
Mijn vader had een ander verhaal: "Madurodam is enerzijds opgericht als oorlogsmonument," zei hij en zijn stem klonk alsof hij voorlas, "en anderzijds als charitatieve stichting. De gezamenlijke initiatiefnemers zijn mevrouw B. Boon-van der Starp..."
Ik keek wat in 't rond en toen ik weer begon te luisteren, hoorde ik: "...en toen werd ons kroonprinsesje Beatrix hier de burgemeester."
Wat een moeilijke woorden kende mijn vader.
Charitatieve..? Initiatiefnemers..?
Ik liet het er maar bij, maar ik geloofde hem ook.
En ja, het kroonprinsesje was in mijn ogen natuurlijk best oud. Ze was al veertien en dus veel ouder dan ik, maar voor burgemeester vond ik haar toch wel wat jong, en dat zei ik tegen mijn ouders.
"Raar kind," zei mijn moeder, "prinsesjes zijn heel andere kinderen dan gewone kinderen. Die moeten kroontjes op als ze op de schommel zitten, zelfs bij het touwtjespringen en ze moeten alvast leren hoe ze linten door moeten knippen. Ze mogen alleen nog maar kleine Madurodam-achtige linten knippen," legde ze uit, "grote linten is nog te moeilijk."
Touwtjespringen met een kroontje op vond ik ontzettend knap en ik vroeg me af wat er met de kroontjes gebeurde als prinsessen van de lage wip doken of als ze onder de rododendrons verstoppertje speelden.
Maar ik wist heel goed dat grote linten doorknippen net zo makkelijk was als kleine linten. Dat had ik geleerd van het doorknippen van de strikken die ik in mijn vlechten droeg.
Toch geloofde ik haar, maar nam me voor dit thuis maar eens serieus uit te zoeken.
Mijn vader had weer een heel ander verhaal: "Raar kind," zei hij, "onze prinsjes worden heel normaal opgevoed en die dragen heus geen kroontjes als ze naar school fietsen."
Omdat allebei mijn ouders een ander antwoord hadden, en ik hen nog voetsstoots wilde geloven, raakte ik daar helemaal van in de war. En ik kan jullie vertellen dat ik heel lang een raar kind ben gebleven

Uiteindelijk is het helemaal goed met me gekomen, maar vorige week zeiden mijn ouders: "Raar kind, waarom denk je niet gewoon zoals je normale broers en zussen. Je zet altijd de werkelijkheid naar je hand."
Over het interpreteren van de objectieve werkelijk had ik al langgeleden nagedacht, maar ging die discussie niet met hen aan en zei streng: "Ouders," en gaf ze allebei een draai om hun oren, "jullie hebben me altijd rare antwoorden gegeven. Eigen schuld dus."
Toen ik terugreed naar Amsterdam hield ik me keurig aan de verkeersregels.
Bij het knooppunt Muiderberg raakte ik in een file en toen ik stapvoets reed, punnikte rustig verder aan het poppenwiegje waar ik nu al wekenlang mee bezig ben. Het wordt heel kleurig kan ik vertellen.
Gut, denk ik nu, dat ik met zo'n rare opvoeding een normale vrouw geworden ben is een wonder.

*
Dit verhaaltje schreef ik om naar mijn mailgroep TeDenkenGeven te sturen en één van de leden reageerde als volgt:
"Nou, ik kan je verzekeren, daar staan wij állemaal van te kijken Karima. Zo'n gewone vrouw met van die ongewoon gewone verhalen. Ik geniet er elke keer van. Je bent geen rare, je bent een bijzondere. Dat is héél wat anders.
Groet van Peter


"Hoe echt is de werkelijkheid" Meer lezen>>>

09 June 2009

Tekentafelplannen en weeralarm

Net als ingewikkelde kruispunten en rotondes worden stoepen aan tekentafels ontworpen.
Het was drukkend warm. Weeralarm! De lucht werd groen, het donderde en bliksemde en ik heb wateroverlast gehad. Het hemelwater kolkte krachtig mijn kamer binnen.
Dat kwam niet door een normale natuurramp, zoals jagende wolken, aanzwellende rivieren met schuimkoppen en dijkbewaking, maar door een merkwaardige beslissing van mijn Amsterdamse Stadsdeelraad. Kijk, als je nu het hele jaar uitkijkt op weilanden met koeien, knotwilgen en rijnaken, vind ik dat je af en toe een overstrominkje moet kunnen hebben. Dan staat er iets tegenover. Maar als ik over mijn ringvaart kijk zie ik een filiaal van Praxis. Dat is hoofdzakelijk handig. Heb ik een klauwhamer of rolmaat nodig ben ik binnen vijf minuten thuis.
Mijn buurt is één van de veertig zogenaamde probleemwijken. Toen ik dat hoorde was ik diep gekrenkt, ik merk daar namelijk niet veel van. Maar dat zal gewenning zijn.
Het beleid van Stadsdeelraad Zeeburg is volhardend en het is hier opwaarderen geblazen. Huurwoningen werden koophuizen en waar eens drugsdealers en oude Amsterdammers woonden, wonen nu mensen die aan universiteiten en bij kranten werken. Veel kinderen met Oilily jurken en roze fietshelmpjes.
Maar eerst werd de stoep elk jaar wel een keer opengebroken. Dan weer tegels, dan weer bakstenen, een glasvezelkabel hier en een andere kabel daar. De parkeerplaatsen werden schuin en dan weer recht. Shit, riolering vergeten. Net als huizen worden rioleringen onderpaald, dan trillen de huizen en ruik je dieselolie. Bij de laatste lawaaiklus hebben ze de stoep wat te letterlijk opgewaardeerd, namelijk een centimeter of acht. Dat houdt in dat die nu op hetzelfde level ligt als de onderkant van mijn voordeur. Ik heb geen handig halletje met een kapstok, bij mij val je letterlijk met de deur in huis. Het water ook.
De eerste keer dat er zo'n bui viel -na die verbetering- was ik niet thuis.
Het was warm geweest en de sporen die ik zocht om te uit te vissen waar het water vandaan kwam waren opgedroogd.
Zichtbaar feit was, dat er tussen mijn bank en m'n bureau een onverklaarbare plas water lag.
Dat het dak niet kon lekken was me meteen duidelijk, want boven mij heb ik nog twee woningen. Terzijde (hoewel dit ook met opwaardering te maken heeft) de bovenste twee verdiepingen heb ik zo verbouwd, dat ik dat een penthouse mag noemen.
Maar goed, om op het water terug te komen: pas bij de volgende bui wist ik waar het water vandaan kwam.
Ik ben nu goed in watermanagement en heb er een dijk opgeworpen met een oud laken dat er alsmaar smoezeliger wordt.

07 November 2008

Barack, nog even dit...

Wat niemand weet, behalve Barack Obama en ik, is dat die hele verkiezingsnacht van tevoren opgenomen was, eerlijk waar.
Het was niet live, hij zat die dinsdagnacht namelijk bij mij aan de keukentafel.
“En iedereen maar wakker blijven…”, ik grinnikte en feliciteerde hem met de overwinning van de dag ervoor.
“Wat vind jij ervan?” vroeg Obama.
“Nou, zei ik, ik vind het hartstikke leuk, maar ik heb nog wel wat ideetjes voor je.”
“Ik luister.”
“Om te beginnen: de abortuswet en de doodstraf. Het gaat om de bescherming van het leven, hè?” vroeg ik naar de bekende weg. “Als jij die doodstraf nou eens afschafte en in schrijnende gevallen abortus toe zou staan.”
Hij fronste.
“Het is een kwestie van sommen maken,” legde ik uit. “Als je die boeven gewoon levenslang geeft spaar je een x-aantal levens en daar kan je die echt noodzakelijke abortussen van aftrekken. Kunnen die kindmoeders, hun school afmaken.”
Hij zou er over nadenken.
“En dan nog iets,” ging ik verder, “al die pistolen onder die hoofdkussens. Vind jij goed, hè, maar als je die nou tòch eens door de politie op liet halen, dat zou ook heel wat levens sparen.”
Barack zou het met z’n vrouw en kinderen bespreken.
“Nog één dingetje; je bent nu wereldleider maar eigenlijk alleen van het Vrije Westen, vind ik. Als je daar ‘The Far East’ bij betrok. Japan, China, India, om er maar een paar te noemen. Is economisch wel handig, want qua kennis en ‘natural resources’ zit je goed. Die kunnen dan beter over de hele wereld verdeeld worden en technologisch zijn ze daar ook niet achterlijk.
Obama: “Maar al die andere godsdiensten dan?”
Ik: “So what. En een creditcrisis hebben ze daar niet. Bovendien krijgen we dan eindelijk echte ‘coffee colored people’.
Obama: “Vraagteken?”
Ik: “Dat is iets uit de jaren zestig, toen was jij nog niet geboren. Ik wel en ik had een droom; een ‘Melting Pot’ als je dat wilt horen ga dan naar Bleu Mink en klik op audio.
Dat deed hij.
Tot slot, maar dat wist Obama wel: I have a dream.
“Hoe drink je je koffie?” vroeg ik.
“Met melk en een lepeltje graag. To stir, you know.”

Yes, we can change, Karima
I have a dream

04 May 2008

Verlangen



Janis Joplin 1943-1970
Spreekt hier verlangen uit, of is dit een blik met een wanhopige eis?

Ik had een droom waardoor al mijn verlangens kinderwensen werden.
"Als god in Frankrijk leven" sloeg nergens meer op.
Het ging in die droom om de vervulling van verlangens die ooit van levensbelang waren en toen ik jonger was meer op eisen leken. Vandaar mijn belangstelling voor het leven en werk van Janis Joplin.
Joplin kon niet leven zonder die vervulling en stierf toen ze 27 was.
Toen ze een jaar of 26 was draaide ze het telefoonnummer van haar verlangen en schreeuwde: "Oh Lord, won`t you buy me a Mercedes Benz ?"
Met die uitdrukking op haar gezicht vroeg ze niet om een mooie auto, maar waar verlangde ze dan wel naar?

De hemel op aarde.
Mijn droom voelde aan als een eenvoudige werkelijkheid, die ik al had kunnen kennen als ik wat beter uit m'n doppen had gekeken. Hij ging over de vervulling van verlangen naar pure liefde, harmonie en schoonheid. Meer niet.
Wat ik in mijn droom ervaarde was dat liefde vrij kon zijn van wat ik noem: de beperkte liefde met haken en ogen die nu eenmaal de kop opsteken als je met de zwaartekracht van doen hebt.
Hoe puur ook: liefde voor je kind is meestal niet vrij van angst en bezorgdheid.
Hoe puur ook: liefde voor je man of vrouw is meestal niet vrij van verlangen naar een aanvulling op jezelf en angst om je andere helft (soms zegt men zelfs mijn betere helft) te verliezen.

Mijn droom valt haast niet onder woorden te brengen en voor de zoveelste keer merk ik dat taal een armetierig hulpmiddel is.
Ik zal het proberen:
Alles was vanzelfsprekend, er was geen zijnsvraag, er was alleen de eenvoud van het zijn.
Ik wàs, punt.
Andere mensen wàren, punt.
Niemand zei: ik hou van jou, liefde wàs, punt.
Harmonie wàs, punt.
Schoonheid wàs, punt.
Ego was niet, punt.
Er was geen Mercedes Benz, geen breedbeeld, je had je A en je B niet nodig en het gras achter de heuvels was niet groener, punt.
Er was (door gebrek aan ego) geen ijverzucht, punt.
Voor zover ik in die droom van gradaties kan spreken: het belangrijkste was; ik wàs, punt.

Die droom was een cadeau, maar voelde niet aan als een cadeau, de droom wàs, punt.
Ik hoef die droom niet levend te houden, ik heb hem geïntegreerd.
Geen verlangen, punt.
Was mijn droom het antwoord op een universeel verlangen?

De vraag is nu: moet ik iets waar geen woorden voor zijn eigenlijk wel op papier willen zetten?
Ach, zeg ik dan, het waakbewustzijn is...

Geen naam, punt.

17 December 2007

-De schoonheid van de schijn-

Alles netjes, zoals het hoort, maar...
We zijn wat uit elkaar gegroeid, dat wel, maar gisteren heb ik toch maar weer eens mijn vriendin in de Verenigde Staten gebeld.
Zij heeft een doodgewoon gezin, in een doodgewoon huis, in een doodgewone straat, in een doodgewone buitenwijk van een doodgewone Amerikaanse stad.
Ze klonk gejaagd; zei dat ze het druk had en vroeg me volgend jaar terug te bellen.
Ik legde haar uit dat ik nú, dit jaar dus, alles wilde weten over haar manier van kerstmis vieren. Ik wilde daar een stukje over schrijven, dat was nu eenmaal in m'n hoofd opgekomen. "Komt op m'n weblog, hoor," zei ik daar achteraan, alsof dat heel belangrijk was. Ik hoorde dat ze haar handen onder de kraan hield, waarschijnlijk om de stuffing voor de turkey eraf te spoelen en ze begon te ratelen: ze had het zilver en het glaswerk al gepoetst, de gordijnen gewassen, de ramen gelapt, de vloerbedekking geshampood en de tafellakens gestreken.
Ze kreeg 20 mensen te eten en er lagen 6 lange boodschappenlijsten op de keukentafel. Sommige dingen waren afgestreept, maar achter andere absoluut noodzakelijke zaken stonden nog rode uitroeptekens.
Ze moest haar Dolce&Gabbana nog van de dry cleaners halen, het Prada shirt van John, de Olily-dingen voor de meisjes en de Diesel-broeken van de jongens. De jongens mochten dit jaar stoer, het moest maar eens afgelopen zijn met die conventies!
O, dacht ik.
Dan moesten er nog cadeautjes worden gekocht; ze moest nog in de rij voor een kalkoen; het kerstcadeau-papier was uitverkocht en zo was er nog een hele hoop te doen.
Ze moest John, haar echtgenoot, nog naar zolder sturen om hun Frosty op te halen en de draden van de lampjes te ontwarren.
Een Frosty is een twee meter hoog figuur, met een zwarte hoge hoed en een malle grijns op z'n gezicht.
Daarna moest ze John weer het dak op zien te motiveren, want bij alle buren stond Frosty al op het dak te branden -alle lampjes deden het; bij hun wel- en zij hadden hun buitenkerstboom ook al in de voortuin staan.
Sommige buren hadden de Rudolph-variant, of een Santa Claus in een arrenslee die naar de sterren leek te draven. Allemaal met lampjes.
Ik had er nooit van gehoord, maar dat Frosty-gedoe leek me opeens ontzettend belangrijk: "Moet dat echt?" vroeg ik.
"Yes," zei ze en ik vermoedde dat ze een rood gezicht had van de inspanning.
"De hele straat doet het, en als wij het niet doen krijgen we last met de buren. We zullen de straatprijs niet winnen en dat is dan onze schuld."
"Straatprijs, de buren?" vroeg ik en de benauwdheid sloeg om mijn hart.
"Ja, de straatprijs," legde ze uit. "De prijs die wij elk jaar winnen omdat wij al jarenlang de mooist versierde straat zijn."
"I've got to go, moet nog wat van de supermarkt hebben en het sneeuwt hier behoorlijk."
"Neem je cell phone mee," zei ik doortastend, want ik wil alles weten.
"Moet jij niet.. moet jij geen kerstbo... moet jij geen turkey...?" stotterde ze.
"Nee..." zei ik kalm, "ik zit lekker te werken."
Ik belde haar in de auto op haar mobieltjes en vroeg meelevend: "Wat moet je zoal uit de winkel ophalen?"
Ik hoorde dat ze tegen haar labradors schreeuwde dat die op de achterbank moesten blijven liggen.
Ze had me eerder verteld dat ze alle drie toffee-kleurig waren en dat de kinderen voor ze zouden zorgen en ze zouden uitlaten. Maar ja... Gelatenheid.
"Ik moet witte chocolade zien te krijgen," antwoordde ze," en een pond pistachenoten. Die chocolade moet van Logan zijn en de pistachenootjes van Lance Brothers. Ik moet opschieten, want het is al donker en de rijen bij de kassa's zullen lang zijn."
Uit de autoradio hoorde ik "Rudolph The Red-Nosed Reindeer".
"It 's slippery" zei ze nog en ik hoorde opeens luid getoeter, gierende remmen en het geluid van scheurend blik.
Het gesprek werd plotsklaps verbroken.
Weldadige stilte in mijn huis, maar ik maak me wel een beetje ongerust. Zal haar vanavond even bellen.
"You fucking lazy American son of a bitch!" Ik drukte woedend op de einde-gesprek-knop en liet me een hele tijd leiden door mijn vooroordelen over die schijnheilige middle class Americans, met hun misselijkmakende middle class conventies.
Ik had John namelijk gesproken.
Een kettingbotsing. Mijn vriendin was bloedend naar het ziekenhuis gebracht. Alleen een snijwond op haar voorhoofd.
Die moest even genaaid worden. Seven stitches, niks aan de hand.
Het kerstdiner kon gelukkig gewoon doorgaan en ze was vanuit het ziekenhuis meteen met een taxi naar het winkelcentrum gegaan. Ze ging ook maar naar de kapper om een pony te laten knippen, dan viel die pleister niet zo op.
Haar auto was total loss en de zijne had hij nodig om naar huis te rijden. Naar de kinderen. Die zijn allemaal boven de zestien, dacht ik nog.
Maar hij zei dit op een toon waaruit ik had moeten opmaken dat hij een toegewijd huisvader was.
Je weet het toch, Kariem, ze moest nog chocolade van Logan en pistachenootjes van Lance Brothers halen. De dry cleaners, you know...
Ik had hem ook nog gevraag of hij nu eindelijk de snoeren met lampjes van die fucking debiele Frosty uit elkaar had gepeuterd, en of dat ding inmiddels netjes op het dak stond.
Dat was niet zo, hij zat football te kijken.
Spelen die live, vroeg ik. Ik moest toch wat zeggen.
Nee, hij had een wedstrijd opgenomen en probeerde de kunst van die geniale quarterback af te kijken.
Wat een strategie, probeerde John me enthousiast te maken, honderdzestig yard, vier touchdowns...
Ik viel zowat van m'n stoel maar hoorde nog dat hij zei dat hij zich verplicht voelde om te kijken. Hij was coach van het weet-ik-veel jeugdteam, je moest tenslotte je community dienen.
Ik hoorde de chips tussen z'n kiezen kraken en dacht aan de pas geshampoode vloerbedekking van mijn vriendin Joke.
Joke wordt daar overigens Joy genoemd, omdat haar echte naam een joke is.
Een grap, haar hele bestaan?
Waar is mijn geestige en vrijgevochten schoolvriendinnetje gebleven?
Zij is het grote water overgevlogen, voorgoed.
Bron: ik heb "Verloren Seizoen" van John Grisham gelezen en daarin wat Amerikaanse kerstkennis opgedaan.

25 July 2007

-Kanseltoon en protestgejank-

Het was een donkere zondag geweest, maar 's avonds scheen de zon.
Helemaal verliefd op Bettine Vriesekoop en Joris Luyendijk, viel ik energiek in slaap.
Ik had wat steekwoorden en namen opgeschreven en heb die met interesse gegoogled.
Zo'n 40 jaar had het VPRO-bloed door m'n aderen gevloeid -ik wist niet beter- maar op een dag ergerde ik me zó verschrikkelijk dat ik mijn lidmaatschap heb opgezegd.
Het maakte me niet meer uit van welke omroep ik lid werd, als het programmablad maar klein genoeg was om tussen de kussens van mijn bank te proppen.
Ik wilde een vrije denker zijn, los van welke conventie dan ook.
En ik vond dat de mensen van mijn generatie, de VPRO-generatie, overjarige provo's en hippies waren geworden.
Het schoppen tegen de heilige huisjes van het jaren-vijftig-conservatisme vond ik dogmatisch.
Het gevecht tegen worteldoeken en tafeltapijten was het nieuwe calvinisme geworden, vond ik.
Met kromme tenen luisterde ik naar vrienden, die zich beperkten tot correct en vooral cultureel gedrag.
Ik ben ook provo en hippie geweest en wilde ook schoppend en schreeuwend de wereld verbeteren.
Revolutie leek me destijds stukken effectiever dan de geleidelijke gang der dingen, dan schoot de boel tenminste een beetje op. Ik had namelijk nog meer te doen.
Inmiddels vind ik dat er een leeftijd is voor idealisme en dat er een leeftijd komt waarop je van je hoge idealen haalbare doelen maakt. Klein, groot, maakt niet uit.
Het schoppen van een vijftig-plusser vind ik schoppen met als doel het schoppen zelf.
Ik ben ook helemaal klaar met het kanseltoontje en het protest-gejank van Freek de Jonge.

"Ach, laat haar maar," zeiden mijn vrienden, "het is een fase. Karima zit even in het verzet."
Waarom kwam ik weg met het feit dat ik aan de hekken rammelde en me niet meer conformeerde aan de norm van mijn intellectuele en artistieke vrienden?
"Ze heeft de Rietveld gedaan, "zeiden ze hoopvol tegen elkaar, "en als je de Rietveld hebt gedaan dan kan je toch niet blijvend fout zijn."
Ze hadden het mis, want juist omdat ik de Rietveld heb gedaan zal ik grenzen blijven verleggen.
Het heeft even geduurd totdat ik echt kon genieten van mijn uitbraak, maar tot op de dag vandaag zit ik in het verzet. Om mijn gedachten, mijn taal en mijn schilderijen staan geen hekken meer.
Mijn vriendenkring heeft zich dan ook voor een groot deel verjongd, van de mensen die ik nog regelmatig spreek is de helft vijftien tot twintig jaar jonger dan ik.
Maar goed, na een drie uur durende VPRO-avond besef ik dat ik ook vooroordelen heb.
Toch denk ik dat ik meer vrijheid heb omdat ik van veel walletjes kan eten.
"Big Brother", "Idols", "Zomergasten" en ik ben zelfs naar "De Gouden Kooi" gaan kijken.
Het is een gedoe van jewelste in die Gouden Kooi, maar in de grond gedragen die mensen zich niet anders dan politici tijdens verkiezingen.
Hun taal is iets minder fatsoenlijk en in Nederland wordt minder weggebliept dan in Amerika, maar wat schiet je op met fatsoen?
Fatsoen is verstoppertje spelen met instincten en hoelang duurt het niet tot de waarheid naar boven komt?
Hoelang mag een wereldleider zeggen: "I did not have a sexual relation with that woman."

07 June 2007

-Met de verfdoos van mijn dochter-

Het laten liggen van talent, oei...
Citaat Amerikaanse schrijfster Erica Jong: "Iedereen heeft wel een talent, maar niet iedereen heeft de moed om het talent te volgen in het onbekende verschiet."
Dat je moed moet hebben om iets onbekends te ontdekken, heb ik ervaren.
Toen ik in de eindexamenklas van de middelbare school zat, wist ik precies wat ik wilde; ik wilde naar de kunstacademie, dat sprak vanzelf. Ik had al een afspraak gemaakt voor het toelatingsexamen.
Mijn iets jongere zusje zat in diezelfde klas, ze kreeg een ongeluk en overleed.
Ik (18) had de moed niet om het verdriet totaal te overzien en daar moest ik mijn gevoel voor uitschakelen.
Naar het 'onbekende verschiet' wandelen? Welnee, het leven was al hobbelig genoeg.
Ik werd hard, onbenaderbaar en cynisch.
Maar zonder gevoel, geen moed en zonder gevoel, geen creativiteit.
Ik ben andere opleidingen gaan doen. Niets beviel; ben gaan werken; ben jong getrouwd en heb jong een kind gekregen.
Ik raakte in een jarenlange diepe depressie die ik niet begreep en die niemand me uit kon leggen. Ik hield zielsveel van mijn dochter, daar kon het niet van komen. Ze kwam ook niet uit de lucht vallen, ze was gepland, gewenst en meer dan welkom in mijn leven.
Toch had ik het gevoel dat er een dikke badmuts in m'n hoofd zat, die alles wat ik verder wilde tegenhield. Maar is wist niet wat ik wilde en ook niet wat ik miste. Ik had toch alles...
Mijn toenmalige dacht dat ik intellectueel niet aan m'n trekken kwam en raadde me aan een universitaire studie te doen. Dat was het niet, wist ik.
Ik was al bijna dertig toen ik stiekem een kinderpenseel en een verfdoosje uit de kamer van mijn slapende dochter haalde. "Mag wel, hè?" vroeg ik zo zacht mogelijk en streek haar lange haar uit haar ogen. Ik gaf haar een kusje waar ze niet wakker van kon worden.
Er zou iets moois gebeuren, wist ik, en ik hoopte vurig dat ik een enthousiaste moeder zou worden. Een lachende moeder.
Vanaf die dag ging ik elke avond aan het werk. Liet alles wat ik schilderde aan mijn dochter zien. Ik was zo gedreven en geconcentreerd dat ik mijn penseel regelmatig in mijn koffie doopte om die uit te spoelen. Jasses!
Niet lang daarna kocht ik echte penselen en grote-mensen-verf.
De badmuts was verdwenen; ik was oneindig productief; ik was niet te stoppen; ik was thuisgekomen.

24 May 2007

-Van irritatie naar comfort-

Van hunebed tot heden, maar ik zet daar wel de sokken in
Hierin ga ik maar eens op zoek naar irritaties die de mensheid comfort hebben gebracht.
Toen vierkante wielen niet bleken te werken en dat irritatie opwekte, heeft de mens die wielen rond gemaakt.
Even later vond men de koets uit en die bleek ook verre van ideaal.
Om de haverklap vloog daar een wiel vanaf en in films heb ik gezien dat dan alle valiezen in het rond vliegen.
Ook de reislustige dame -die vaak een jurk met hoepelrok droeg en een grote hoed- viel uit de koets en werd meestal weer op haar stoel geholpen door een echte heer. Natuurlijk pas nadat het wiel weer was vastgespijkerd.
Dat was ook irritant en er moest weer naar andere oplossingen worden gezocht.
(De mens is niet snel tevreden merk ik tijdens dit onderzoek.)
Hoepelrokken werden al rap spijkerbroeken, hoeden werden baseball caps, valiezen werden Samsonites en koetsen werden auto's.
Eerst hadden die auto's nog geen vering (irritant) en daar heeft Citroën iets op gevonden, namelijk het hydraulisch veersysteem. Op de website van 'Garage Rene Spaan' staat geschreven: "Het hydraulisch veersysteem van Citroen is ongeëvenaard. Ook qua onderhoudsgemak."
-Voor diegenen die van techniek houden: ga maar eens naar die garage, maar ik raad je aan om wel terug te komen, want ik ben nog niet klaar en bij Rene Spaans is er toch niet veel aan>>>

Mijn Vader (een vormliefhebber) kocht in de jaren zestig een Citröen ID-DS (snoek): zie boven, maar dan in een andere kleur.
Maar mijn moeder (ook vormliefhebber) werd er een beetje misselijk in en kon het stuur niet snel genoeg ronddraaien. Ze kwam regelmatig tot stilstand in sloten en struwelen.
Mijn vader vond dat een tikje irritant, maar heeft net zolang doorgereden in die auto tot die door z'n chassis zakte.
Daar hoefde je in die tijd niet lang op te wachten; met een Citroën gebeurde dat nogal snel en dat riep weer nieuwe irritaties op. Daar hebben die Fransen ook weer iets op gevonden, maar dat zijn details en mijn gedachten moeten niet alle kanten opwapperen.
Dus: daarna kocht mijn vader een auto waar mijn moeder niet misselijk in werd.
Weer veel later, toen de meeste mensen niet meer aan het stuur wilden sjorren, omdat dat weer irritatie opwekte heeft men de stuurbekrachtiging uitgevonden.

O, bijna vergeten, toen de theepot al bijna een eeuw irritant naast het kopje drupte, werd er in de jaren vijftig zo'n handig plastic tuitje uitgevonden.
Dat tuitje werd vies (irritant) en designers ontwierpen theepotten die niet meer op de schoteltjes plensden en toen schaften veel mensen die irritante schoteltjes af.
Tjonge, jonge, waar moet je je biscuitje dan weer laten? Precies, er kwam een biscuitjesbordje.
Geeft niet, we hoeven de afwas niet meer in een rivier te doen.

Dit is zo'n beetje de geschiedenis 'Van Hunebed Tot Heden' over uitvindingen die door irritaties werden gedaan.

10 May 2007

Renate Dorrestein en thematisch lezen


(Voorwoord: omdat Blogger vandaag stottert is het opslaan moeilijk. Dit stuk staat daarom nog even in de stutten. Mag wel alvast gelezen worden. Morgen beter.)

De openingszin van dit boek is: "Ik ben Fiebie Koolveld, ik ben dertien, ik ben voor niemand bang. Ik heb mijn nieuwe H&M topje aan. Ik heb twee mobieltjes"
De titel "Echt Sexy" zet alvast aan het denken als het om een dertien-jarig meisje gaat en helemaal als het boek door Renate Dorrestein geschreven is.
Het begon allemaal met Dorrestein.
Ze ligt nog niet in de winkel of ik draaf er al mee naar huis.
Mijn manier van lezen werd ooit thematisch en op auteur.
Ik heb een periode alleen nu-schrijvende Nederlandse vrouwen gelezen.
Dit deed ik om mijn eigen tijd en mijn eigen worsteling daarmee beter te begrijpen.
Mijn doel was dus om te weten hoe andere vrouwen hun leven het hoofd boden. Eigentijdse zedenschetsen noem ik dit.
(Voor alle zekerheid voeg ik toe dat ik inmiddels ook weer mannen lees.)
"Echt Sexy" komt na haar boek "Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder roodkapje voor".
Ik heb al haar werk gelezen in de volgorde waarin ze het geschreven heeft.
Je kunt dan aan de hand van het oeuvre en interviews de schrijver leren kennen.
Dorrestein is maar 7 jaar jonger dan ik, dus is het ook mijn tijd.
Ze begon als feministisch journalist en daarna ging ze eerst absurde romans schrijven.
In die romans kwamen vaak springende en vliegende meisjes voor.
Waarom liet ze die meisjes springen?
Dat wisten de lezers niet en zijzelf waarschijnlijk ook nog niet.
Haar taal vond ik van het begin af aan al om te gieren, elke zin buitelt en tintelt.
Maar het leek alsof ze iets te verbergen had. Na elke gevoelige passage maakte ze een relativerende grap. Dat heb ik ook lang gedaan, ik had ook iets te verbergen.
Waarom ze dat deed heb ik gelezen in haar zogenaamde memoires "Het Perpetuum Mobile van de Liefde" (1988). Dat boek was in mijn ogen een keerpunt in haar leven en in haar werk.
Hierin durfde ze eindelijk -na jaren- te schrijven over de zelfmoord van haar zusje.
Ze had een schuldgevoel, en dacht dat zij en haar zusje samen misschien maar één talent hadden meegekregen en dat haar zusje dood moest om haar eigen talent tot bloei te laten komen.
Op de eerste pagina schrijft ze meteen: "...en schrijf mijn memoires. Ik ben tenslotte vierendertig, en men weet nooit wanneer en waaraan men ten onder zal gaan..."
En dan schrijft ze plompverloren en tussen haakjes: "(mijn zusje sprong van een flatgebouw, nog voordat ze volwassen was)."
Ik heb het minstens vijf keer gelezen, omdat mijn broer (22) ook zelfmoord heeft gepleegd.
Ik had ook een schuldgevoel en mijn broer had ook schrijftalent.
"Af en toe moet er een plant weg, "zei mijn moeder, terwijl ze een week later stond te schoffelen, "dat geeft een andere plant de ruimte om te groeien."
Oei, dacht ik, ik leef nog. Dat is bloeien geblazen en rap een beetje. Dat je daar de sokken niet in kunt zetten, is me gebleken.
Nadat Dorrestein over dat zusje had kunnen schrijven, hoefde ze haar gevoel niet meer achter grappen te verbergen en was ze langzaam maar zeker in staat "normale" geloofwaardige personages neer te zetten.
Bij het lezen van "Ontaarde Moeders" (1992) kreeg ik dan ook regelmatig kippenvel.
De kritieken werden ook beter en haar boeken zouden opeens "minder absurd en herkenbaarder zijn".
Ja, ja, zeg ik dan, maar die andere boeken moesten eerst geschreven worden.
Schrijvers kunnen moeilijk duimendraaiend zitten wachten tot er een meesterwerk in hun schoot valt.
Schrijven is niet alleen een artistiek proces. Schrijvers maken dezelfde processen door die elk mens doormaakt. Eerst zijn ze jong en dan zijn ze oud.

07 May 2007

-SIMENON EN MIJN MAIGRET-

Bruno Cremer als Maigret

Het was 1976-1979, ik was rond de dertig en zat in een dip waar ik nog steeds U tegen zou kunnen zeggen. Tjonge, jonge dat was me er één.
Simenon heeft me daar doorheen geholpen, maar eigenlijk moet ik zeggen dat commissaris Maigret dit heeft gedaan.
Van Simenon wordt gezegd dat hij een onbetrouwbare vader en echtgenoot was en aan onbetrouwbaarheid had ik geen behoefte. Gelukkig wist ik dat toen nog niet.
Voor zover ik weet had Maigret geen kinderen en dat is maar goed ook. Hij was mijn vader; van mij alleen en daarmee basta!

Maigret was misschien wel de tegenpool van Simenon. Zijn betere ik? Zoals hij eigenlijk had willen zijn, ware het niet dat...?
Maar goed, laat ik me niet zo opwinden. Maigret ging wèl naar huis, maar pas als hij helemaal klaar was met rechercheren. Madame Maigret had altijd de pannen op het vuur staan en die moest ze regelmatig in de ijskast zetten. Vond ze niet erg.
Maar als hij dan thuiskwam -als hij zijn mysterie had opgelost- stelde zij geen moeilijke vragen, ze mopperde nooit en de geur van kalfscassoulet kwam al door de keukendeur. Vroeger had je nog geen open keukens, geloof ik.
Onderweg at hij in restaurants en wist in Parijs en omstreken de beste restaurants, terrassen en kroegen te vinden. Maigret was een Bourgondiër en ik kan me een lunch met eendenborst en zuurkool herinneren.
Hij dronk af en toe een biertje, een glas cognac en zoog aan zijn pijp.

Het kookboek van mevrouw Maigret, samengesteld door Courtine, ben ik kwijt, maar ik vond er een column over van Igor Cornelissen in OVT van de VPRO.
Cornelissen schreef: "Een van de mooiste vind ik de kip in witte wijnsaus die ik meerdere malen met succes heb bereid. Het citaat komt uit ”Maigret en het drama in de Rue Lopert”.
Daarin vraagt mevrouw Pardon zich af wat toch het bijsmaakje is dat je maar nauwelijks proeft maar dat er zoiets fijns aangeeft.
Mevrouw Pardon kan het niet thuisbrengen.
Het is toch heel eenvoudig, zegt madame Maigret, jij doet er zeker op het laatste moment een glas cognac bij?
Cognac, of armagnac, net wat ik bij de hand heb... Juist. Nu ik neem pruimenjenever, al hoort dat eigenlijk
niet. Dát is het hele geheim..."

Met een dikke winterjas, de kraag omhoog, liep hij door de regenachtige straten van Parijs -of waar hij dan ook maar naar moordenaars moest zoeken.
Wat ik heel prettig vond was, dat Simenon hem ook naar België, de Provence, Delfzijl en de Rivièra stuurde. En ik mocht dan met hem mee. Hij was een meester in het beschrijven van landschappen, weersomstandigheden en wist niet alleen zijn personages, maar ook de plaatselijke bevolking goed te typeren.

Laatste bladzijde van "Maigret en de maniak van Montmartre":
"Hij had vooral zin om op het terras van Brasserie Dauphine te gaan zitten..."
"Een biertje, commissaris?"
Ironisch, maar dan tegen zichzelf gericht, zei hij terwijl hij zijn ogen opsloeg: "Twee!"

Simenon heeft ruim honderd psychologische romans en ruim tachtig Maigrets geschreven.
Ik hoefde dus nooit zonder te zitten, en als ik de titels niet in winkels of bij de uitgever kon vinden, ging ik naar het Waterlooplein.
Ik had altijd een lijst bij me, waar ik dan een vinkje bij de titel zette als ik weer iets op de kop had getikt.

Tot slot: over het konijn in witte wijn- en roomsaus met tagliatelle:
April 1982 deed ik mee aan een groepstentoonstelling van Rietveld-leerlingen in Den Helder.
In de Helderse Krant stond: "...Karima Lugt zet daar losjes een paar tekeningen naast..." "...Hoe dan ook, deze tekeningen zijn erg goed."
Het was me wat. En om die paar regeltjes en die opening te vieren, heb ik voor mijn vriend en mij dat konijnen-recept gemaakt. Mijn dank gaat uit naar madame Maigret, maar ook naar mijn toenmalige vriend, Willem Gorter, want die heeft me moeten overhalen om mee te doen aan die expositie, zelf zag ik daar namelijk het nut niet van.

Noem zijn naam; zeg Maigret en hemeltjelief, mijn hele geschiedenis rolt over me heen.
Ziezo, nu moet ik stoffen en dweilen.

05 May 2007

-De kunst van te leven is thuis te zijn alsof men op reis is-

Dit is een uitspraak is van Godfried Bomans en ik kan me daar prima in vinden.
'Erik of het Klein Insectenboek'
Als anderen op reis gaan fantaseer ik me overal naartoe.
Dan fantaseer ik over de reis die mijn vrienden zullen maken en de avonturen die ze zullen beleven.
En zij halen de prikken tegen de ziektes.
Ze wegen hun tassen en koffers: vijf kilo handbagage en twintig kilo ruimbagage.
Of ze gaan gewoon met z'n tweeën op de kofferdeksel van de auto zitten om de boel er in te proppen. Dat ligt er natuurlijk aan.
En als iedereen weg is ga ik naar het Amsterdams bos.
Ik zie eekhorens die vliegensvlug langs boomstammen naar boven en beneden klauteren. Ik zie dat ze eikels verstoppen voor de winter. Ik bedenk me dat ze die misschien onder de sneeuw zullen moeten opgraven.
Hier en daar zie ik een beukennootje dat is ontkiemd. Twee echte beukenblaadjes.
Tjonge, denk ik dan, een nieuwe boom. Is er wel ruimte genoeg tussen al die andere bomen?
Of ik ga naar de Albert Cuypmarkt en ruik haring, uitheemse vissen, schaaldieren en olijven; rode Spaanse pepers en muskaatdruiven en grote bollen knoflook uit de Provence. Artisjokken en warme stroopwafels.
Of ik ga in m'n tuin zitten, blader wat door de Privé en zie wat prinsen en popsterren doen.
Dat doe ik alleen maar in de zomer, eerlijk waar.
Het kan ook zijn dat ik lees hoe Erik Pinksterblom met insecten praat.
Ik bedoel die Erik uit 'Erik of het Klein Insectenboek'.
"Of moet ik 'weps' zeggen?", vroeg hij aan de wesp, terwijl hij een beleefde buiging maakte.
"Wesp," zei de wesp ongeduldig en ze haalde haar vleugels op.
Daarna viel mevrouw spin tegen hem uit: 'Kwajongen!' riep ze met schrille stem, 'waarom heb je mijn web vernield, hè? Waarom, waarom, waarom?' Zij stampvoette van woede." (quote uit boek)
Dan komen mijn vrienden terug.
Er wordt gezegd: wie verre reizen maakt, kan veel verhalen.
Dat is waar, kan ik je vertellen:
--"Ik moest om vijf uur opstaan om op tijd op Schiphol te zijn. Ik had net zo goed om tien uur op kunnen staan, want ik moest heel wat uren rondhangen in de tax-freeshop en de koffiecorner."
--"Juist die ene exotische malariamug zat niet in de malariacocktail. Wat zijn ze toch vreselijk, die Afrikaanse ziekenhuizen."
--"Heet, in Griekenland, in de schaduw was het nog veertig graden."
--"Olifanten, Karima, zijn mooie dieren, maar er moet een hek omheen. Is echt het beste. Ik heb een hele kudde achter me aan gehad. Niet normaal, man."
--"Ik ben gezakkenrold in Rome, alles weg en pinpas ook."
--"Ik ben ontzettend dronken geworden in Moskou met een paar Russen. We hebben vreselijk gelachen, maar aan het eind van de avond moest ik al m'n geld afgeven. pistool op m'n borst."
--"Gelukkig hadden we een kleine DVD-speler meegenomen voor de kinderen, want we hebben twintig uur aan een stuk doorgejakkerd. Toen ze eindelijk uit de auto mochten, was er wel een zwembad. Dat lag vlakbij het strand."
En als ze klaar zijn met vertellen, komen ze vlak naast me op de bank zitten. Uit een plastic zak halen ze dan de fotoalbums tevoorschijn.
Ik kan geen kant meer op en bedenk me dat ik die avond wel erg veel knoflook heb gegeten.
Ze buigen zich naar me toe en wijzen:
"Daar was het hotel en daar bij die bomen hebben we gewandeld. Op die rots hebben we muskaatdruiven zitten eten."
Ik krijg dan iets te zien dat op een bord aardappelpuree lijkt, met broccoliroosjes. De saus er omheen is wel van een stralende wolkenlucht gemaakt. Maar door het halfdoorzichtige schutblad, met een soort spinnenwebben erop, zie ik dat op de volgende bladzijde precies dezelfde foto's zijn geplakt.
"Mag ik even," wordt me wel eens gevraagd, en ik zie dat een vriendin naar de CD-speler loopt en me de muziek laat horen, waar ze weer helemaal warm van wordt, "dit klonk op de terrassen waar we 's avonds zaten te eten. Zo anders dan in Amsterdam. Een flesje wijn, artisjokken, knoflookolijven met rode pepers en schaaldieren."
Dan komt er een ander album: India: mensen die in kleurige gewaden voor kisten met kruiden zitten.
"Ik had schoenen aan," zegt de vriendin beschaamd, "waar die mensen een maand voor moeten werken. Wat een armoede."
"Wat gaf je die mensen nou als zo'n foto maakte?" vroeg ik eens. Ik dacht echt dat dat normaal was.
"Nou... uh... niks. Staat in elke reisgids. Ze blijven aan je kleren trekken als je wat geeft. Waar ben jij geweest?"
Ik was wel ergens geweest, had wel wat gezien en had wel iets geroken, maar...

25 April 2007

-DE OPKOMST EN ONDERGANG VAN EEN TE GROOT TALENT-

Vroeger dacht ik dat ik dweepte, maar omdat ik ruim een halve eeuw later nog tranen in mijn ogen kan krijgen, weet ik dat ik destijds een groot vernieuwer; een klassieker had gehoord.
Er worden kinderen geboren met zulke grote talenten dat de aarde trilt.
Als ze die talenten hebben ontwikkeld, kan dit een cultuurshock teweegbrengen.
Kunststromen en de mensen die daarvan genieten, zullen nooit meer hetzelfde zijn.
Mozart, Picasso en Elvis waren zulke talenten.
Ik maak hier onderscheid tussen het hebben van een talent en een talent zijn.
Een 'talent zijn' betekent dat je vanbinnen en vanbuiten een levend kunstwerk bent en dat een groot deel van het normale leven aan je voorbij gaat. Dan kan het gebeuren dat zo'n talent slachtoffer wordt van zijn talent. Dat hij niet meer van zichzelf is maar van iedereen.
Ik was zestien en was in Engeland om Engels te leren.
De boys en girls uit de omgeving hadden een zwembadfeestje georganiseerd voor dat Hollandse meisje dat consequent aan de rechterkant van de weg fietste.
Onder de sterrenhemel van Maidstone (Kent) hoorde ik voor het eerst "Can't help falling in love" uit een transistorradio klinken: "Take my hand, take my whole life too..."
Gefascineerd zat ik te luisteren en omdat ik dat niet durfde te laten merken was ik "So lonesome I could cry"
Ik had geen suikerspin, mijn latere Amsterdamse vriendinnen ook niet en mijn vrienden hadden geen vetkuif. Zij sprongen in de gracht voor de Stones of de Beatles.
Wat mijn vrienden toen niet wisten was dat Elvis de grondlegger voor die muziek was.
Als hij niet als jongetje door de stoffige straten van Tupelo (Mississippi) had gelopen en die oude zwarte man niet had horen zingen, hadden de Stones en de Beatles niet in de spotlights gestaan. Het Kurhaus zou niet zijn afgebroken en de veilinghal in Blokker was niet overhoop gehaald.
De carrière van Elvis begon toen hij tien was.
Hij wordt wel de eerste blanke man genoemd die zwarte muziek maakte.
Zijn zwarte heupbewegingen werden schandalig en immoreel gevonden en hij mocht alleen nog boven de gordel worden gefilmd. Een blanke man hoort stijf te zijn en zwarte mensen telden nog nauwelijks mee.
Zou de jeugd werkelijk naar de knoppen gaan? Nee hoor, ze werden bevrijd van suikergoed en marsepein.
Toen Elvis een paar jaar van de hitlijsten verdween, omdat hij 31 achterlijke films moest maken, konden de Stones en de Beatles doorbreken.
Ook prima natuurlijk en zij hebben niet onder stoelen of banken gestoken dat ze goed naar "The King of Rock 'n Roll" hadden geluisterd. Ze maakten gebruik van de vrijheid die was ontstaan nadat Elvis het pad had geëffend en de geluidsbarrière had doorbroken.
"Bob Dylan, U2, Cliff Richard, Bruce Springsteen en anderen zijn hem ook schatplichtig", schrijft een schrijver in Wikipedia.
Een groot talent kan slachtoffer worden van dat talent en zijn naaste omgeving slachtoffert vanzelfsprekend mee.
Dat gebeurde met Elvis, hij werd aanbeden, was niet meer in contact met de werkelijkheid en slikte, snoof en at zich dood.
Maar hij had in mijn ogen gedaan waarvoor hij geboren was.
Hij had alles bereikt wat er te bereiken viel. Zijn concert "Aloha from Hawaii" (1973) was het allereerste live-concert dat wereldwijd rechtstreeks via satelliet in 40 landen werd uitgezonden.
De kijkcijfers werden geschat tussen 1 en 1,5 miljard kijkers.
Als je wilt weten welk percentage dat van de wereldbevolking was en als je wilt weten hoe dat in verhouding staat met de wereldbevolking nu, moet je sommen kunnen maken.

Bijna zestig, ik hoef maar een glimp op de vangen of een paar maten te horen en...

En als je een oud filmpje op YouTube wilt zien, "Heartbreak Hotel 56",
klik hier.>>

21 April 2007

-JAN HARTOGH 1927-2007; SCHILDER EN VERLOREN VRIEND-

Jan Hartogh '93

Voor Jan 15-04-2007

Vandaag, 21-04-2007, is er een gat in mijn geschiedenis geslagen.
Zo'n leegte zal weer worden opgevuld, dat weet ik heus wel, maar vanmiddag nog eventjes niet.
Ik zou nu in de zon kunnen gaan zitten, maar dat doe ik niet. Ik leef in het verleden en af en toe springen er tranen in mijn ogen.
Zojuist ben ik namlijk naar de Nieuwe Ooster (begraafplaats in Amsterdam) geweest en was bij de crematie van mijn allereerste minnaar, Jan Hartogh.
Op de muziek van Mahler, gebruikt in de film "Dood in Venetië", dreef ik naar ons verleden.
Dat verleden ligt in Arnhem.
Hij woonde en werkte in een parkwachtershuisje bij de ingang van het park Sonsbeek. Mijn school stond daar tegenover en wij, de MMS-meisjes, zaten op zijn muurtje te oefenen in het roken.
Ik was 17 en hij 37, ik viel nu eenmaal op oudere mannen.
Bovendien was hij schilder en dat vond ik toen al reuze romantisch.
Op mijn negentiende kwam ik hem in Amsterdam weer tegen en er ontstond een volwassen liefde.
We hebben het altaar niet gehaald (hoe ik ook zanikte, want ik vond het de hoogste tijd), maar we bleven wel goede vrienden. En tot een jaar geleden zag ik hem regelmatig.
De laatste keer dat hij me belde -een paar maanden geleden- maakte ik geen tijd voor een afspraak. En dat is dan meteen zo'n kapstok om wat schuldgevoelens aan op te hangen.
Nutteloos? Ach, als ik er morgen maar anders over denk is er niets aan de hand.
Onder een wolkeloze lucht, in de tuin bij de aula heb ik gesproken met een paar van zijn vrienden: ook kunstenaars; iemand die filosofie had gestudeerd; wat andere intellectuelen en een schildersmodel.
Toch heb ik vanmiddag ook gewonnen. Ik was namelijk de persoon die hem het langst gekend heeft en voor een kort moment ben ik blij met deze eerste plaats.
Hij heeft de tachtig net niet gehaald en ik zal Deo Volente over een paar weken zestig zijn. Toch voel ik me opeens piepjong en klein.

10 April 2007

-GEHOORD WILLEN WORDEN EN WAAROM?-

Wie schrijft wordt gehoord
Wil een schrijver gehoord worden en met welk doel dan?
Ik denk dat het voor bijna elk mens belangrijk is om gehoord, gekend en geliefd te zijn.
Maar is dat ook de bedoeling van een schrijver
?
Veel schrijvers zeggen: het gaat om het doen, niet om het boek. Ook zeggen ze vaak dat het om fictie gaat. Maar geeft hij zichzelf dan niet bloot achter het veilige gordijn dat fictie heet?
Alle verhalen en ideeën gaan immers via zijn ogen, hersens en zijn eigen beleving van de werkelijkheid. Z
itten wij -de lezers- te wachten op zo'n persoonlijk exposé?
Soms wel, want het zou ons kunnen amuseren.
Het zou ons ook een beter zicht kunnen geven op onszelf en op de tijd waarin we leven; moderne zedenschetsen. Ik heb dan ook veel gehad aan nu-schrijvende vrouwen. Zowel de vrouwen van mijn leeftijd als de jongere generatie.
Kan een schrijver zijn binnenwerkelijkheid hiermee laten zien, met die beschermende fictie achter de hand?
Ik haal Couperus uit de kast.
Hij liep eens door de straten van Den Haag.
Een vrouwelijke bewonderaar sprak hem aan en vroeg: "Wie heeft er model gestaan voor Eline Vere?"
Couperus zou geantwoord hebben: "Dat ben ik toch zelf, mevrouw.
(Even over Eline Vere: zij is dat frêle manisch depressieve meisje dat constant flauwvalt. Ze keek wel uit natuurlijk, want ze deed dit vooral als er een charmante, rijke, maar bovenal, een sterke man achter haar stond. Zodat ze dus niet steeds keihard op de grond viel, hè. Door het liefdesverdriet dat ze om haar geliefde Otto heeft, laat Couperus haar uiteindelijk zelfmoord plegen.)
Couperus zal in de kast gebleven zijn, want in 1887 kwamen homo's daar niet zonder kleerscheuren uit. Zo zat het 'fatsoen' -tegenwoordig ‘waarden en normen’- destijds niet in elkaar. Gelukkig is er inmiddels het een en ander veranderd.
Als ik dan niet met mijn geaardheid uit de kast mag komen, zal Couperus mischien gedacht hebben, dan schrijf ik het maar op. Word ik toch gehoord en gekend, al is maar in de vorm van dat meisje.
En terwijl hij zijn kroontjespen in de inkt doopte, gaf hij zichzelf bloot en was hij bezig met zijn eigen geheime binnenwerkelijkheid.
Als je schrijft -op dat moment- besta je intens.
Als een schrijver goed schrijft, zoals Couperus deed, blijf je ook. Dan kan het belangrijker worden dan de persoonlijke beleving.
Toen de latere homo's voorzichtig de kastdeur openden en door een kiertje naar de -voor hen- merkwaardige hetero-wereld gluurden, kreeg het leven van Couperus postuum de"werkelijke waarde die hij tijdens zijn leven had gewild.
Hij werd gezien, gehoord, gekend en homo's herkenden zichzelf.
Ik ben geen homo, maar ik kan me wel voorstellen dat hij er daardoor een heleboel over de streep heeft getrokken.
Als ik vanaf mijn bureaustoel naar de geschiedenis kijk en dan zie hoe de heersende zeden langzamerhand veranderen, kan ik wel eens een tijdje heel tevreden zijn.
Ik denk dat geschiedenis het heden begrijpelijker maakt en zelfs een blik op de toekomst werpt.

Karima

18 March 2007

-JE GEZOND VERSTAND MOET AF EN TOE EENS MET VAKANTIE-

Inspiratie afdwingen is net zo onmogelijk als een kat opvoeden.
Jacques Perk 1859-1881

Als een dichter zijn hoofd niet leeg kan maken door zijn controlerende ratio even uit te schakelen, zal zijn witte papier hem kwaadaardig blijven aanstaren.
Ik ben niet zo thuis in de dichtkunst en neem als voorbeeld een bekende zin uit het gedicht "Iris" van Jacques Perk.
Als hij zijn gezonde verstand niet had uitgeschakeld, zou hij nooit gedacht hebben: "Ik ben geboren uit zonnegloren / En een zucht van de ziedende zee..."
Als Perk rationeel zou zijn gebleven, zou hij een rood hoofd hebben gekregen en geschrokken z'n hand voor z'n mond hebben geslagen. Zoveel stupiditeit zou hij niet op papier hebben gezet.
"Ben jij nu helemaal gek geworden," kan hij gedacht hebben, "doe toch eens normaal! Ik ben geboren uit mijn ouders, niet uit een bloemkool en ook niet uit zonnegloren. En de zee is helemaal niet ziedend, die wordt gewoon heen en weer gesleurd door de zon en de maan."
Er komt natuurlijk wel een moment dat een dichter zijn verstand moet gebruiken. Maar dat doet hij in een later stadium; namelijk bij het uitwerken van zijn inval.
Terzijde: dat het gedicht "Iris" over zijn onbereikbare geliefde gaat, doet er helemaal niet toe als ik mijn punt maak.

Inspiratie willen afdwingen is net zo moeilijk als persé een kat willen opvoeden.
Als een kat naar buiten wil terwijl het regent, is het op z'n minst merkwaardig als hij zijn regenjas aantrekt; resoluut het touwtje van zijn capuchon vastknoopt en spontaan in zijn laarzen springt.
Enkele van mijn beste vrienden zouden dit graag willen, echt waar.
Ik heb ook vriendinnen die het zo verschrikkelijk graag willen dat ze het hun kat keer-op-keer voordoen. Zie je het tafereel voor je? Belachelijk toch.
Oei, ik geloof dat een van mijn beste vriendinnen zo'n type is. Nu maar hopen dat ze dit niet leest. Ik vraag me wel opeens bezorgd af of zij wel echt van haar katten houdt. Om wie ze zijn, bedoel ik, en niet om wat ze kunnen?
Ik ken trouwens geen mensen die hun kat proberen te leren dat de rode laarzen bij de rode jas horen, en de groene laarzen bij de groene jas, maar ik ben er vast van overtuigd dat dit soort mensen bestaat.

Niet alleen dichters hebben een leeg moment nodig. Ook wiskundigen kunnen hierdoor onverwachte invallen krijgen. Archimedes zat ook niet aan zijn tekentafel toen hij de oplossing voor zijn probleem vond.
Hij stapte gewoon in bad, om zich te wassen natuurlijk en niet met het doel de wet van Archimedes te bedenken. En omdat hij zijn streven even losliet, door dat ene lege moment, weten alle mensen (behalve ik) hoe ze achter het soortelijk gewicht van iets kunnen komen. Daardoor weten we ook waarom schepen drijven en waarom lood regelrecht naar de bodem zinkt.

Tjonge jonge, wat een gedenk allemaal weer.
Waar maak ik me toch altijd zo druk om?
Ik ga maar eens iets nuttigs doen, stofzuigen of zo.

Karima

17 March 2007

-MIJN PEN KRAST HET PAPIER-

"Mijn pen krast het papier" is een in opdracht geschreven rondeel. Door het strakke rijmschema zou ik hier zelf niet voor gekozen hebben en dit wilde ik de opdrachtgever laten merken.

Rondeel


Mijn pen krast het papier, 'k moet een rondeel gaan maken.
'k schrijf vijf woorden, schrap er vier en ga drie zuchten sla­ken.
Een gedicht... tere gedachten uit mijn hart..,
't mag wel over vreugde gaan, maar ík hou meer van smart.
Ik zal de mens -of die wil of niet- in zijn ziel gaan raken.

Soms is 't wel een halfuur werk, maar dat doet niet ter za­ke.
Daar moet je niet aan denken bij rondelen maken.
Schrijven is een schone zaak, maar zwaar was wel de start.
Mijn pen krast het papier.

Met zwevende woorden, zwijgende zinnen, sprekende verzen maken.
Maar U moet nu wél -in korte tijd- in vervoering raken,
want 'k ben over de helft al, 'k heb niet eens meer een kwart.
Het gaat nu juist goed en heel erg hard,
maar 't strakke schema stelt, dat ik thans moet sta­ken.
Mijn pen krast het papier.

Karima 05-05-1992

10 March 2007

-VAN BOSMEISJE TOT STADSVROUW-

Ik ben natuur

Vanaf het moment dat ik op mijn tenen kon staan en door de ramen kon kijken, zag ik dat de wereld heuvelachtig was en vol stond met bomen.
De eiken, beuken en kastanjebomen reikten tot in de hemel en de eekhorentjes klommen watervlug langs de stammen omhoog.
In de zomer was het warm. De zon scheen tussen de bladeren en maakte gele vlekken op het zandpad voor mijn huis.
Het rook dan naar rozen, oostindischekers en dennennaalden.
In de moestuin geurden aardbeien. Die smaakten het lekkerst als ik ze plukte en in mijn monds stak terwijl ze nog warm waren van de zon.
Om bij de rivier te komen moest ik een halfuur fietsen. Als je op de fiets zit mag je je ogen niet dichtknijpen. Daarom keek ik de andere kant op als ik langs de bosrand kwam. Daar was de begraafplaats en daar was mijn zusje. Als ik toen geweten had dat niet lang daarna mijn broertje daar ook zou zijn, was ik waarschijnlijk afgestapt, maar toen ging ik op de trappers staan fietste keihard door. Niet denken. Nog een grote berg over en dan zag ik eindelijk het water, de veerpont die heen en weer voer. Rijnaken lagen diep, of juist niet, dat lag eraan. Ik zag steenfabrieken.
In de uiterwaarden rook het naar koeien en gras; naar teer, touw en dieselolie.
Meeuwen krijsten en in hun vlucht probeerden ze de gevangen vis uit elkaars snavels te rukken. H
et water klotste. Wierslierten die tussen de basaltblokken van de krib groeiden, deinden met het water mee. Daar ging ik zitten en nam mijn schetsboek op schoot.

Als het herfst werd, waren de paden bezaaid met beukennootjes.
Ik propte mijn zakken vol, gaf ze aan mijn moeder en zij roosterde die in de koekenpan.
Overal lagen eikels die ik verzamelde in een juten zak en bracht die naar de boer een eindje verderop.
Hij gaf ze aan zijn varkens want die vonden ze lekker, wist ik.
Dan kreeg ik van hem een grote doos eieren of een dubbeltje.

Mijn vingers werden blauw van het bosbessenplukken en als mijn blikken emmertje vol was, ging ik nog wat cantharellen zoeken.

Cantharellen
Dat was nog moeilijk want die paddestoelen groeiden onder de gele afgevallen berkenblaadjes, tussen de zonnevlekken en onder het kreupelhout. Ik kreeg er krassen van op mijn armen en benen.
Verder was het ook gevaarlijk want sommige cantharellen zijn niet eetbaar, mijn vader had me verteld dat die valse hanenkammen heten, maar ik kon die al snel van elkaar onderscheiden.
Het bos rook naar natte bladeren en aarde en er hing een vage notengeur.
In de winter, als het gesneeuwd had, deed ik te grote laarzen aan en drie paar sokken over elkaar. Mijn voeten lieten geribbelde sporen na op bospaden waar nog niemand gelopen had.
Soms waren er wat ondiepere sporen van vogels, konijnen, vossen en reeën.
In het voorjaar zag ik roze bosanemonen, paarsblauwe viooltjes en in de tuin rook de bloeiende ribesstruik naar kattenpis.
In de sloot zag ik pootjes aan donderkopjes groeien en wist dat het echte kikkers zouden worden.
Als ik op de fiets door de heuvels had gereden en eindelijk bij ons tuinpad kwam, gooide ik mijn fiets op het grindpad en sprong op de schommel. Die was met touwen aan een dikke tak van een beukenboom vastgeknoopt.
Als ik al heel hoog door de lucht zweefde, draaiden de wielen nog in het rond.
Ik ben natuur.

Pas in de grote stenen stad, waar ik een kamer zou huren, zou ik de noodzaak van een fietsslot ontdekken.
Vooral 's nachts bij de bruine kroegen op het Leidseplein, als ik mijn fiets in een donkere steeg had gezet.
Ook zou ik zien dat er alleen gras groeide tussen de stoeptegels en vlak langs de huizen.
Ik zou verbaasd zijn dat de bomen daar recht zijn en niet kronkelig en knoestig zoals in mijn bos.
Ik zou zien dat bloemen in een bloemenstal horen en dat aardbeien in een doosje moeten.
En ik zou zien dat paddenstoelen rond en wit zijn, geen aarde en dennennaalden erop en dat je die in een blauw bakje koopt.
Ook zou ik ontdekken wat heimwee is. Ik zou een stadsjas aantrekken en mijn lippen stiften; stoplichtrood.
Ik lakte mijn nagels en mijn vader fronste zijn wenkbrauwen.
Van binnen natuur met een laagje cultuur.
Maar dat wist ik gelukkig nog niet toen ik op de schommel zat met mijn benen hoog in de lucht.
Wat zou ik toen toch gedacht hebben? Leefde ik in een schoolkaart van Jetses?
Waarom dacht ik toen dat ik kikkers moest kussen zodat het knappe prinsen werden?

Het zou nog een jaar of veertig duren voordat ik een stadstuintje had.
Daar staat een grote vijgenboom en bonte spechten kloppen op de stam.
Roodborstjes, mezen en merels spetteren druppels omhoog als ze een bad nemen.
Als het warm is zit ik in de schaduw van de grote lichtgroene vijgenbladeren. Ik word daar rustig van; net als in het bos waar ik geboren ben.
Maar als de vijgen rijp zijn zit ik daar liever niet, die zouden op mijn hoofd uit elkaar kunnen spatten.

Karima

09 March 2007

-VERLEDEN ZELFPORTRET EN MIJN VIJGENBOOM-

In1982 maakte ik dit "Verleden zelfpotret".
(klik op het plaatje om de grafische techniek 'droge naald' te bekijken)
Ik liet me me leiden door dezelfde twijfel en lichte heimwee gevoelens als waarmee ik het hier bovenstaande verhaaltje "Van bosmeisje tot stadsvrouw" schreef.
Deze vijgenboom in mijn Amsterdamse stadstuin maakt veel goed. De vijgen zijn die zomer nog rijp geworden. De boom is door de vorige eigenaar meegenomen uit griekenland.

Karima